Progressief Nederland

http://blogtoscano.altervista.org/cstu.jpg
Progressief Nederland is een naam met een bijsmaak
De nieuwe naam Progressief Nederland van GroenLinks-PvdA moet een frisse start markeren. Een herkenbaar label voor een brede beweging die vooruit wil.
Maar hoe langer je ernaar kijkt, hoe ongemakkelijker die naam voelt.
De term ‘progressief’ klinkt aantrekkelijk, bijna vanzelfsprekend. Wie wil er immers níet vooruitgang? Maar politiek gezien is het een glibberig begrip.
Ook D66, Volt noemt zich progressief, net als leiders als Emmanuel Macron en Justin Trudeau. En zelfs Rutte heeft zich op thema’s als LHBT-rechten en Europa soms “progressief-liberaal genoemd. Kortom politici die zich nadrukkelijk afzetten tegen conservatisme en populisme, maar tegelijk economische keuzes maken die weinig met klassiek links van doen hebben. noemt zichzelf progressief. Net als tal van partijen die weinig met links beleid of groene politiek hebben. Progressief is daarmee eerder een stijl dan een richting geworden. Een houding, geen ideologie.
Dus de vraag dringt zich op: dekt ‘progressief’ wel de lading van wat ooit expliciet links, sociaal democratisch én groen was? Of wordt hier iets afgevlakt om breder te kunnen reiken – en misschien ook om minder scherp te hoeven kiezen?
Het echte probleem zit in dat andere woord: Nederland.
Dat lijkt onschuldig, maar dat is het niet.
Een woord met politieke lading
‘Nederland’ is in het huidige politieke landschap geen neutrale aanduiding meer. Het is een begrip dat de afgelopen jaren is geclaimd door partijen en bewegingen die het vooral gebruiken om grenzen te trekken: tussen wie erbij hoort en wie niet.
Van ‘Trots op Nederland’ tot ‘Belang van Nederland’, van ‘Voor Ons Nederland’ tot radicalere clubs als ‘Defend Nederland’ – steeds weer wordt hetzelfde frame opgeroepen: Nederland als iets dat beschermd moet worden tegen de buitenwereld.
In dat rijtje schuift nu ook Progressief Nederland aan.
Dat is geen detail. Dat is een signaal.
De draai naar binnen
De keuze voor deze naam past in een bredere ontwikkeling. In toespraken en interviews wordt ‘Nederland’ opvallend vaak benadrukt. Alsof het nodig is om te onderstrepen voor wie de politiek bedoeld is.
Maar juist dat was nooit de kern van deze politieke traditie.
Zowel GroenLinks als de sociaaldemocratie zijn gebouwd op het idee dat solidariteit niet stopt bij de grens. Dat klimaatbeleid, bestaanszekerheid en rechtvaardigheid internationale vraagstukken zijn.
Door ‘Nederland’ zo centraal te zetten, verschuift de blik. Subtiel, maar onmiskenbaar.
Van buiten naar binnen. Van wereldwijd naar nationaal.
Strategie met risico’s
Het is verleidelijk om deze keuze te zien als slimme strategie. In een tijd waarin nationale identiteit weer zwaar weegt, kan het aantrekkelijk zijn om die taal over te nemen.
Maar politiek is meer dan strategie. Het gaat ook over waar je voor staat – en waar je je van onderscheidt.
Als je dezelfde woorden gaat gebruiken als de partijen waar je je tegen afzet, vervaagt dat onderscheid.
Dan wordt de vraag niet alleen hoe je het anders doet, maar ook of je het nog wel anders wílt doen.
Wat staat er nog op het spel?
Een naam is geen bijzaak. Het is een richting.
Progressief Nederland suggereert vooruitgang, maar legt tegelijkertijd een grens. Alsof die vooruitgang in de eerste plaats nationaal moet zijn.
Dat wringt met de traditie van internationale solidariteit die juist deze beweging groot heeft gemaakt.
De vraag is dan ook niet of deze naam goed klinkt.
De vraag is wat hij betekent.
En vooral: wat hij op termijn verandert.
Want in de politiek geldt een simpele wet: wie zijn taal aanpast, past vroeg of laat ook zijn koers aan.
